Totaal aantal pageviews

zondag 22 mei 2011

Gedachten uitdrukken





"Tekeningen en andere kunstvoorwerpen hebben een betekenis.
We moeten de taal van de kunstenaar intuïtief begrijpen.
Elke lijn is een bewering, een uitspraak...
 een manier van communiceren tussen degene die de lijn zet en de toeschouwer.
We kunnen een lijn lezen en zo kunnen we ook een tekening lezen."

Betty Edwards

***

Betty Edwards maakt in haar boeken duidelijk 
op welke manier we onze gedachten en gevoelens 
zichtbaar maken als we tekenen.
Ze maakt duidelijk hoe dat proces werkt.
Onze gedachten worden daardoor waarneembaar 
voor onszelf en anderen.  
             
Tekenen heeft als grote voordeel dat het eenvoudig is
 en voor iedereen bereikbaar.
Je hebt niet veel (dure) spullen en oefening nodig.

Ze geeft een aantal oefeningen die het verduidelijken.

1 Zet verschillende handtekeningen 
in verschillen de gemoedstoestanden.
Voelen we ons rustig dan is ons handschrift normaal.
Als we boos zijn dan valt onze handtekening anders uit 
dan wanneer we opgewekt, verdrietig of bang zijn.
De (hand)tekeningen weerspiegelen ons innerlijk, 
dit is geen bewust proces.
We kunnen de (hand)tekeningen vergelijken en interpreteren.


2 Een andere oefening is:Tekenen 3 lijnen:
De eerste heel snel,
de tweede minder snel,
de derde heel langzaam.
 

Je ziet de snelheid en de traagheid in de lijnen aan de druk, 
de soepelheid en de ruwheid.
Probeer de snelle lijnen eens heel langzaam na te maken.
De lijnen worden anders 
omdat de snelheid waarmee de lijnen gezet zijn niet hetzelfde is.

3 Zet een snelle krul-lijn en probeer die lijn heel langzaam te herhalen.
Teken een langzame gebogen lijn en herhaal die lijn heel snel.
Je kan aan de lijnvoering zien of er snel of langzaam getekend is.



4 Verdeel een A4 vel in 8 gedeelten door het vel te vouwen 
en geven elk vak een nummer.


We tekenen in vakje:

 1 = boosheid
2 = vreugde
   3 = vredigheid
   4 = neerslachtigheid
   5 = menselijke energie
   6 = vrouwelijkheid
   7 = ziekte
   8 = een emotie naar eigen keuze.  
(angst, liefde, eenzaamheid, verwarring)

Gebruik een tekenpotlood.
Elke tekening bestaat uit lijnen, strepen, krassen, recht, gebogen vormen.
In elk vak teken je een lijntekening, 
die weergeeft hoe de emotie voor jou er uit ziet. 
Je mag geen symbolen gebruiken.
Geen harten, geen bloemen, geen pijlen, regenbogen, vraagtekens ed.

Gebruik alleen lijnen: 
snelle lijnen, getand, zwaar, licht, vloeiend, krom, recht, lang, kort, soepel, zacht. 
Druk in lijnen uit wat je voelt.
Denk bv. bij het thema boosheid 
aan de laatste keer dat je erg boos geweest bent.
Stel je voor dat je nu weer zo boos bent. 
Zet nu lijnen op het papier die de boosheid goed weergeven.
De lijnen hoeven niet ‘goed’ te zijn 
en mogen best bijgewerkt worden, uitgegumd ed.
Probeer niet te oordelen over de tekening.
Een tekening is altijd goed als ze jouw gevoel weerspiegelen.

Uit haar onderzoek blijkt dat :

Boosheid wordt vaak  getekend als: donkere lijn, zwaar, hoekig, getand.

 
Vreugde wordt vaak getekend als: lichte lijn, gebogen, stijgend.


Vredigheid wordt vaak getekend als:
 een horizontale lijn, of licht gebogen of dalend.

 
Neerslachtig wordt vaak getekend als: 
een beeld laag in het kader geplaatst.
 

Menselijke energie wordt vaak getekend als: 
uiteenspattende energie.



Vrouwelijkheid wordt vaak getekend met: 
ronde vormen en met kruisende vormen.


 Ziekte wordt vaak getekend als: 
een neerwaartse lijn 

 

Natuurlijk kunnen er variaties zijn binnen dit algemene beeld.
Een tekening kan er ook helemaal van verschillen.
 Iedere ervaring van een emotie is uniek 
en verschild van persoon tot persoon.
Hij verschilt ook in intensiteit.

  
Een tekening maakt de emotie èn de intensiteit zichtbaar .
 Er zijn verschillende manieren 
om te laten zien hoe intensief een emotie is.
Hierboven is boosheid uitgebeeld.
Het is moeilijk om in woorden te zeggen 
wat de tekeningen aangeven.
De tekeningen zijn complex in wat ze uitdrukken, 
met woorden kunnen we dat niet vangen.


donderdag 19 mei 2011

Gaat er een lampje branden?




Het creatieve proces verloopt, volgens Betty Edwards, in 5 fasen.
Als ze het heeft over creatieve mensen 
dan heeft ze het niet alleen over kunstenaars 
maar ook over uitvinders of wetenschappers 
die een oplossing zoeken voor iets wat betrekking heeft op hun onderzoek.
Het creatieve proces werkt ook voor gewone mensen met 'gewone' problemen.
                     
1 Het begint allemaal met het stellen van de juiste vraag!
Vooral de scheppende mens gaat vaak uit zichzelf actief op zoek, 
hij probeert problemen op te lossen die nog niemand anders heeft gezien.
Ze worden gegrepen of ingehaald door een idee of een probleem 
dat moeilijk op te lossen is. 
Het formuleren van een vraagstuk is vaak belangrijker dan de oplossing.
Creativiteit wordt geactiveerd door vragen als:
Wat zou er gebeuren als….
Wat doe ik met…..
Wat nog meer als…
De linkerhersenhelft is hier aan het werk


2 Verzamelen van informatie.
Als de vraag geformuleerd is dan is de volgende stap informatie verzamelen, 
lezen, nog eens alles bekijken en bestuderen. 
Ook dit is een activiteit van de linkerhersenhelft.
Als  de linkerhersenhelft er niet uit komt 
schuift hij het  ‘probleem’  ten slotte aan de kant.
Vanaf dat punt gaat de rechterhersenhelft met alle informatie aan de slag.
De rechterhersenhelft zend signalen uit in "de kosmos ?" en vangt ze op.
Dit noemen we de incubatietijd.
De incubatietijd kan kort duren maar ook jaren.

3  De incubatietijd.
Is een onzekere tijd, men maakt zich zorgen, en denkt na.    
Het probleem wordt niet losgelaten 
maar is op de achtergrond steeds aanwezig.           

Tekenen brengt de hersenen tot rust en maakt een venster open.
Als we tekenen krijgen we een tijdloos gevoel,
 er is  een buiten-bewustzijn-besef.
De rechterhersenhelft is aan het werk.
Dit gevoel komt overeen met het incubatiestadium van het creatieve proces.
Als we tekenen associëren we al tekenend 
de vormen die worden getekend met andere vormen, 
dit associëren is een onderdeel van het creatieve proces.
Veel kunstenaars werken graag in stilte 
ze willen niet gestoord worden door gepraat.


4 Verlichting

Vaak na een ontspannen moment ( bv. in bad, of wandelend in de natuur) 
kan er ineens  een moment zijn van helder inzicht: 
er gaat een lampje branden! 
Dat is een aangrijpende ervaring.
In de taal vinden we ook andere benamingen: verlichting, intuïtie, inzicht.
Intuïtie is: bekijken, de kracht en het vermogen om rechtstreeks kennis te krijgen 
zonder rationeel denken en gevolgtrekkingen maken.
Inzicht: iets zien wat niet zichtbaar is, inzien, begrijpen, 
het vatten van een betekenis.
In een nieuw perspectief zien…
De dingen anders zien… Het licht zien… 
Nu zie ik het.

In zo,n helder moment ziet men de oplossing voor het probleem, 
het moet dan nog wel worden uitgewerkt en werkzaam gemaakt worden.
De rechterhersenhelft heeft zijn werk gedaan 
en de linkerhersenhelft neemt het weer over.


5 De verificatie.

De volgende fase is de fase van geconcentreerd werken 
aan de oplossing van het probleem. 
Een nieuwe gedacht moet worden getoetst aan de werkelijkheid 
en op geldigheid en waarheid, het inzicht wordt vastgelegd.
Er wordt een vorm gevonden voor de oplossing van het probleem
 om hem te delen met anderen.


Deze 5 fasen in het creatieve proces 
maken duidelijk dat de beide hersenhelften samen werken 
bij het oplossen van een probleem, 
ze hebben allebei een eigen taak in het geheel.
Het maakt ook duidelijk 
dat een eenzijdige ontwikkeling en stimulering 
van alleen de linkerhersenhelft  zoals nu gebeurt in onze scholen
 en in onze maatschappij niet goed is.
Door creatief bezig te zijn stimuleren we de rechterhersenhelft.
Het zou goed zijn als we leren luisteren naar onze intuïtie,
 onze inzichten en ingevingen.
Weet dat we belangrijke beslissingen nemen op basis van onze intuïtie.



Volgens Ap Dijksterhuis in het boek: Het slimme onbewuste
stuurt ons onbewuste ons gedrag, ons denken en onze gevoelens.
Het onbewuste heeft een verwerkingscapaciteit 
die 200.000 x zo groot is als het bewustzijn.
Moet je een belangrijke beslissing nemen slaap er dan een nachtje over...


maandag 16 mei 2011

Onze hersenen en kijken





Op een andere manier leren kijken is belangrijk bij tekenen.
Maar hoe breng je die manier van kijken aan anderen over?
Het antwoord op die vraag ontdekte ik in de boeken van Betty Edwards.

Toen ik met de tekenlessen begon bij mijn collega 
heb ik allerlei boeken doorgenomen over teken en schilder technieken.
Tekenen en schilderen zelf zijn het probleem niet.
De grote vraag was op dat moment:                                 
Hoe breng ik onder woorden wat ik aan het doen bent 
en hoe laat ik de kinderen kijken
 op een manier die nodig is om te kunnen tekenen?

Op een gegeven moment 
leende ik uit de bibliotheek een boek van Betty Edwards.
Ze heeft meerdere boeken geschreven waaronder: 
Leer tekenen en Leer creatief te zijn.

Ze legt uit hoe het creatieve proces werkt in de hersenen.
Ze leert je op een andere manier naar de wereld om je heen te kijken 
zodat je die kan tekenen.  
Door haar boeken kreeg ik ook de woorden 
om het aan anderen over te brengen. 

De creatieve en artistieke kant zit in je rechterhersenhelft.
Op onze scholen en in onze maatschappij 
spreken we hoofdzakelijk onze linkerhersenhelft aan 
door het zg. lineaire denken, praten, schrijven, rekenen, 
computeren, analyseren, ordenen.
De rechterhersenhelft is de meer holistische kant van ons brein.
Haar eigenschappen zijn: 
dagdromen, ideeën, intuïtie, fantasie, melodie, 
ruimtelijk denken, non-verbale communicatie, ed.
Deze eigenschappen zijn in onze maatschappij ondergewaardeerd.

De boeken van Betty Edwards zijn letterlijk een eyeopener.



vrijdag 13 mei 2011

Bewegelijk



Primaire reflexen die niet goed geinhibeert zijn in het eerste levensjaar 
kunnen allerlei leer en gedragsproblemen geven.

Door de Kinesiologie Praktijk ben ik in contact gekomen met primaire reflexen.
Het INPP verzorgt signaleringscursussen voor therapeuten en leerkrachten 
waarbij je leert de  primaire reflexen te herkennen en te behandelen. 


De INPP heeft voor scholen een serie oefeningen ontwikkeld  
De oefeningen duren ongeveer een kwartier per dag.
De oefeningen moeten minimaal 9 tot 12 maanden worden volgehouden.

De basisbewegingen zijn eenvoudig.
Stap voor stap worden in een bepaalde volgorde de bewegingspatronen 
van de eerste 6 tot 9 maanden van een baby geoefend tot ze automatisch gaan.
Met de oefeningen worden de reflexen in de natuurlijke volgorde geinhibeerd.

Het verschil tussen INPP en andere programma's 
ter bevordering van het evenwicht en de coördinatie is 
dat de INPP oefeningen het kind helemaal terug nemen 
naar het allereerste begin van de evenwichtstraining.

De klassikale oefeningen zijn vooral bedoeld
 voor kinderen met lichte coördinatie problemen, 
lees, schrijf en overschrijf problemen.
De oefeningen kunnen worden gegeven tijdens de normale gymlessen.


Voor een gym leerkracht is de signaleringsdag een mooie aanvulling.
Als je de signaleringsdag hebt gevolgd mag je de oefeningen geven.
De INPP verzorgt ook een signaleringsdag op school als er voldoende belangstelling is.




Omdat kleuters iedere dag of naar buiten gaan of gymmen 
is het handig om de oefeningen te doen met de kleuters.
Groep 2 is (volgens mij) de beste groep om de oefeningen mee te doen.
Groep 1 wordt gedurende het schooljaar opgevuld met nieuwe leerlingen, 
de kinderen zijn nog erg jong en moeten wennen aan school.
Groep 2 is een vaste groep kinderen.
Het zou fijn zijn als de kinderen zoveel mogelijk 'leer-klaar' zijn voor ze naar groep 3 gaan, 
zodat er dan geen storende primaire reflexen meer zijn.




dinsdag 10 mei 2011

Reflexen, leren en gedrag


Er zijn 8 primitieve reflexen of primaire reflexen.
Dit zijn reflexen die een baby in de baarmoeder, 
tijdens de geboorte en in het eerste levensjaar nodig heeft om te overleven. 

Deze reflexen horen in de loop van de eerste levensjaren
te worden geinhibeerd door meer volwassen reflexen. 
Gebeurt dit niet dan kunnen ze zo storend werken 
dat er sprake is van leerproblemen en gedragsproblemen, 
zeker als er meerdere reflexen aanwezig zijn.

om leerkrachten en therapeuten ed. op te leiden de reflexen te herkennen.
 Ze heeft een oefentraject van een jaar voor scholen ontwikkelt. 
Het oefentraject is bedoeld voor kinderen 
die last hebben van een enkele reflex. 
Het INPP heeft goede resultaten met een individueel behandelplan
 voor kinderen met veel nog aanwezige reflexen. 


              De 8 reflexen zijn:              
Terugtrek Reflex:
De Terugtrek Reflex ontstaat in de vijfde week van de zwangerschap. 
De baby trekt zich bij een prikkel van buitenaf in een reflex terug. 
De prikkel kan zijn een aanraking of een geluid. 
Rond de 33ste week van de zwangerschap 
wordt de reflex minder actief en bij de geboorte is het niet meer nodig 
om bij elke prikkel terug te trekken.
De aanwezigheid van deze reflex kan zich oa. uiten in:
Faalangst
Uitdagingen uit de weg gaan
Onzeker voelen
hyperventilatie
Niet op gang komen, 
op het laatste moment in actie komen
Mororeflex:               
De Moro Reflex ontstaat in de negende week van de zwangerschap. 
Deze reflex maakt ons alert voor gevaar.
Als een pasgeborene schrikt spreidt het armpjes en beentjes,
 houdt de adem in, 
beweegt vervolgens armpjes en beentjes naar het lichaam
gaat huilen om kenbaar te maken dat er hulp nodig is.

Het is de bedoeling dat het kind op den duur gaat inschatten
 of een prikkel werkelijk gevaarlijk is of niet.
Gebeurt dit niet dan zal elke prikkel het kind 
elke keer weer in een staat van alarm brengen. 
Bij elk alarm wordt er adrenaline aangemaakt
 en door het lichaam verspreidt.
Is dit reflex ongeveer 3 maanden 
na de geboorte nog actief dan kan zich dat oa uiten in:

Gevoelig zijn voor prikkels ( adrenaline & onrust voelen )
Allergieën
“Control freak”
Keel-, neus- en oorproblemen
Stemmingswisselingen


Palmreflex:  
Het palmreflex ontstaat in de 11de week van de zwangerschap. 
Er is een relatie tussen handpalm en zuigbeweging. 
De zuigbeweging komt op gang als de handpalm aangeraakt wordt. 
Deze reflex heeft een baby nodig voor het opnemen en verwerken van voedsel.
Is dit reflex 3 maanden na de geboorte nog actief dan kan zich dat oa. uiten in:

Problemen met het verwerken van voedsel
Tong te ver naar voren
Te duidelijk spreken (articuleren)
Gevoelige handpalmen
Pijnlijke, verkrampte kaken


Asymmetrische tonische nek reflex, ATNR:  
De ATNR ontstaat in de 11de week van de zwangerschap.
Dat is de periode dat de as moeder aangeeft dat de baby beweegt.
Deze reflex maakt dat als het hoofd draait 
de armpjes en beentjes zich strekken 
aan de kant waar het hoofd naar toe draait 
en de armpjes en beentjes buigen aan de andere kant.
De oog - hand coördinatie begint.

Kijkt de baby naar links dan strekt de linker arm en het linker been.
Kijkt de baby naar rechts dan strekt de rechter arm en het rechter been, 
de andere kant buigt zich.
Is dit reflex 6 maanden na de geboorte nog actief dan kan zich dat oa. uiten in:

Problemen met lezen
Problemen met schrijven (duidelijkheid, verkrampt)
Evenwichtsproblemen
De reflex kan gevaarlijke situaties opleveren in het verkeer, 
bv: kijkt het kind naar rechts dan stuurt het ook naar rechts. 

Ruggengraat Bekken reflex:   
De reflex ontstaat in de 20ste week van de zwangerschap.            
Bij de geboorte maakt deze reflex het mogelijk 
de baby zich naar buiten kan werken door de heupen de bewegen.
Is deze reflex 9 maanden na de geboorte nog actief dan kan zich dat oa. uiten in:

Niet stil kunnen zitten
Altijd iets in de handen hebben om mee bezig te zijn
Bedplassen
Lage rugklachten

Aarden- zuigreflex: 
Deze reflex ontstaat tussen de 24 en 28ste week van de zwangerschap.
Hij heeft een functie bij de zuigbeweging. 
De reflex helpt om de baby met ong. 4 maanden gecontroleerd te laten zuigen
 en niet meer reflexmatig.
Een actieve reflex uit  zich door het ver naar voren steken van de tong. 
Hierdoor kunnen de spieren rondom het mondgebied zich niet goed ontwikkelen.
Dit kan moeilijkheden met duidelijk spreken, slikken en kauwen geven.


Tonisch Labyrint Reflex: 
De Tonische Labyrint Reflex bestaat uit twee delen: 
de voorwaartse en achterwaartse. 
Het voorwaartse gedeelte zien we als de baby tegen de baarmoederwand drukt, 
het hoofdje kan dan naar voren buigen. 
Het achterwaartse gedeelte is nodig bij de geboorte
om de draaiing te kunnen maken.
De reflex van het naar voren bewegen is 4 mnd. na de geboorte niet meer actief,
 het achterover buigen heeft langer nodig.
Is deze reflex na 3 jaar nog actief dan kan zich dat oa. uiten in:
Snel uit het evenwicht zijn (elke keer als stand hoofd veranderd)
In elkaar zakken
Gebogen schouders
Op de tenen staan
Stijve bewegingen (houterig)  

Symmetrische Tonische Nek Reflex: STNR
De Symmetrische Tonische Nek Reflex ontstaat 6 tot 9 mnd na de geboorte.
Deze reflex heeft een functie bij het kruipen.
Het zorgt ervoor dat onder- en bovenlichaam tegengesteld kunnen handelen. 
Bij het kruipen beweegt de rechterknie en de linkerarm naar voren
 en dan de linkerknie en rechterarm. 
Het kind leert ook om afwisselend dichtbij en verder weg te kijken en omgekeerd.
Deze reflex is maar een paar maanden aanwezig. 
Blijft de reflex actief dan kan zich dat oa. uiten in:

Zitten op één of twee benen
Hangen in de stoel
Onhandig, overal tegen aanlopen, struikelen
Moeite met bijv. van schoolbord in schrift over te schrijven